knal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord knal knallen
verkleinwoord knalletje knalletjes

Zelfstandig naamwoord

knal m

  1. een kort, hard en luid geluid als van een ontploffing
    • We hoorden een knal en zagen een rookpluim. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
knallen

knal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knallen
    • Ik knal. 
  2. gebiedende wijs van knallen
    • Knal! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knallen
    • Knal je? 

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord knal knalle

Zelfstandig naamwoord

knal

  1. knal