knal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knal
Woordherkomst en -opbouw
  • Waarschijnlijk ontleend aan Duits Knall. [1]
  • In de betekenis van “geweldig, cool”, aangetroffen sinds 1919. [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord knal knallen
verkleinwoord knalletje knalletjes

Zelfstandig naamwoord

knal m

  1. een kort, hard en luid geluid als van een ontploffing
    • We hoorden een knal en zagen een rookpluim. 
     Na een gigantische knal vlak boven ons hoofd stonden de stoere jonge gasten binnen tien seconden ook binnen. Zelfs zij waren zich rot geschrokken van de klap, en beseften dat het nu menens was.[3]
  2. versterkend voorvoegsel (spreektaal) gebruikt als eerste deel van een samenstelling om de eigenschap van het tweede deel van de samenstelling te benadrukken of de kwaliteit ervan te versterken
     Ook wat de kleuren betreft, - de klare kleuren waarin de schilder zwelgt. Want heeft men ooit knalrood en karmozijn, zacht purper en oud goud, smaragd en amethyst, en wat niet van doorzichtige nuancen tusschen dat al, zich in stouter samenspel vloeiender ja stroomender zien voegen?[4]
     Jammer dat er geen knalfeest mocht zijn met publiek; in 2019 was het nog zwart van de mensen buiten en keek men in vijfentwintig bioscopen mee.[5]

Bijvoeglijk naamwoord

  1. (jongerentaal) (verouderd) buitengewoon, geweldig (“vooral in jonge-meisjestaal”) [6]
     Zeg, 't lijkt me griezelig, as die man je kietelen wil.’ Ze stond stil en lachte. ‘Ik ben zanderig, 't is knal, 't is reuze.[7]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
knallen

knal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knallen
    • Ik knal. 
  2. gebiedende wijs van knallen
    • Knal! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knallen
    • Knal je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie


Verwijzingen

  1. knal op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron Wim Daniëls 125 jaar na Dik Trom De groeiende invloed van jongerentaal in: Onze Taal, Jaargang 75 (2006), Genootschap Onze Taal, Den Haag, p. 53 op dbnl.org op Wikipedia
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink Weblink bron Jan Veth Een inleiding tot Rubens in: Onze Kunst, Jaargang 2 (1903), J.-E. Buschmann, Antwerpen / L.J. Veen, Amsterdam, p. 14 op dbnl.org op Wikipedia
  5. Bronlink Weblink bron Maaike Bos “Wat hebben we met gezellig samen zijn en ondertussen elkaar naaien?” (25 oktober 2020) op trouw.nl
  6. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  7. Bronlink Weblink bron Josef Cohen “In dezelfde spiegel” (1936 [derde druk]), Wereldbibliotheek, Amsterdam, p. 243 op dbnl.org op Wikipedia
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord knal knalle

Zelfstandig naamwoord

knal

  1. knal