bangerd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ban·gerd
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van bang met het achtervoegsel -erd
enkelvoud meervoud
naamwoord bangerd bangerds
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bangerd m

  1. (scheldwoord) iemand die bang is
    • Een paar bangerds ontdeden zich al bij voorbaat van hun wapen uit vrees voor de Akwattapult, het allerergste wapen dat tegen hen in stelling kon worden gebracht. [1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 94