bangelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ban·ge·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van bang met het achtervoegsel -lijk
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bangelijk bangelijker bangelijkst
verbogen bangelijke bangelijkere bangelijkste
partitief bangelijks bangelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

bangelijk [1]

  1. van een persoon dat deze snel bang is
    • Jongeren zijn op een doordeweekse avond in het Witte de Withkwartier ook weer in groten getale aanwezig in Lola. We worden als relatieve oudjes dan ook met een enigszins bangelijk ‘Alles oké met jullie?’ door de dienstdoende post-puber begroet. De aanwezigheid van heel veel ouderwetse kamerplanten in het restaurant zal ons middelbaren allicht wat gerust moeten stellen. Lola is een grill- en ovengestookte deeltjesversneller van twee verdiepingen hoog, waar de patatas bravas, de gegrilde gamba’s, de kipspiesjes en de merquezworstjes met tien, twintig bordjes tegelijk onder de handen van de koks vandaan komen. We menen in elk gerechtje wel iets van dat húp-kwak-koken terug te proeven.[2] 
    • Ene psychiater in de ene weekendkrant: „…we durven elkaar niet meer in de ogen te kijken…we zijn bang voor verveling, maar vooral voor de stilte …we vergeten die ander … als we niets doen gaat de boel naar de vaantjes …” Andere psychiater in de andere weekendkrant: „…we zijn heel behoudend en conservatief geworden…te bangelijk…ik wil graag over angst vertellen omdat ik het gevoel heb dat we verkeerd bezig zijn…”[3]  
  2. (Vlaams) geweldig, erg leuk
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Wim de Jong 24 november 2016
  3. NRC Maxim Februari 17 oktober 2016