kleuren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kleu·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kleuren
kleurde
gekleurd
zwak -d volledig

Werkwoord

kleuren

  1. (overgankelijk) van kleur voorzien met potloden, stiften, waskrijt etc.
    Wat heb je dat mooi gekleurd.
  2. (ergatief) een kleurverandering ondergaan
    Hij kleurt van woede.
    Zijn das kleurt goed bij dat overhemd.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

kleuren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kleur
Hyponiemen
Afgeleide begrippen