schoppen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: /'sxɔ.pə(n)/
Woordafbreking
- schop·pen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schoppen /'sxɔ.pə(n)/ |
schopte /'sxɔ.ptə/ |
geschopt /ɣə'sxɔ.pt/ |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
schoppen
- een trap geven
- Hij schopte de bal in het net.
- het ver schoppen: succesvol zijn in het leven
- Hij kwam uit een eenvoudige familie, maar schopte het ver doordat hij een succesvol bedrijf begon.
Vertalingen
1. een trap geven
| ♣ | ♦ | ♥ | ♠ |
|---|---|---|---|
| klaveren | ruiten | harten | schoppen |
| eikels | bellen | harten | bladeren |
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schoppen | schoppens |
| verkleinwoord | schoppentje | schoppentjes |
Zelfstandig naamwoord
Synoniemen
- ook: schop, schopje
Zelfstandig naamwoord
schoppen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schop