vi

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Bretons

Zelfstandig naamwoord

vi

  1. ei


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • vi
Woordherkomst en -opbouw
  • Zelfstandig naamwoord: afkomstig van het Oudnoorse woord
Naar frequentie 11

Persoonlijk voornaamwoord

vi

  1. (tweeletterwoord) wij, we
    «Vi ser tre fugle lette og forsvinde uden for synsfeltet som små prikker.»
    We zien drie vogels opvliegen en verdwijnen uit het zicht als kleine stipjes.

De Deense persoonlijke voornaamwoorden

De Deense persoonlijke voornaamwoorden
Enkelvoud 1. 2. 2. formeel 3. m 3. v 3. o
Nominativ jeg du De han hun det
Genitiv min din Deres hans hendes dets
Dativ - dig Dem ham - det
Akkusativ mig dig Dem ham hende det
Meervoud 1. 2. 3. mv
Nominativ vi I de
Genitiv vores jeres deres
Dativ os jer -
Akkusativ os jer dem


stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vi
vir
viede
viet
volledig

Werkwoord

vi

  1. trouwen
  2. (religie) wijden, zich wijden aan (b.v. aan God)
  3. heiligen, wijden aan (een bepaald, vaak verheven doel)
Schrijfwijzen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   vi     viet     vier     vierne  
genitief   vis     viets     viers     viernes  

Zelfstandig naamwoord

vi, o

  1. (religie) (een heiligdom in de oude Noorse pre-christelijke religie in vorm van een omheind offerplek)
    «Vi indgår som led i flere skandinaviske stedsnavne.»
    Het Deense woord vi is bestanddeel van een aantal Scandinavische plaatsnamen.
Hyperoniemen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • vi
Naar frequentie 10

Persoonlijk voornaamwoord

vi

  1. (tweeletterwoord) wij, we
    «Vi jobber med et researchprosjekt for en mulig dokumentarfilm.»
    We werken aan een onderzoeksproject voor een mogelijke documentaire.
Uitdrukkingen en gezegden
  • Skal vi gå nå?
Zullen we nu gaan?

De Noorse persoonlijke voornaamwoorden (in het bokmål)

hoeveelheid / speciale geval persoon woordgeslacht en delgroepen onderwerp (nominatief) voorwerp (accusatief) Nederlands (nominatief)
enkelvoud 1.  
jeg
meg
ik
2.  
du
deg
jij
3. mannelijk :
personen
dingen

han
den

han / ham
den
hij
vrouwelijk :
personen
dingen

hun
den

henne
den
zij
onzijdig
det
det
het
meervoud 1.  
vi
oss
wij
2.  
dere
dere
jullie
3.  
de
dem
zij
beleefdheidsvorm 2.  
De
Dem
U, u


Retoromaans

Werkwoord

vi

  1. van het werkwoord vulair


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
ver

vi

  1. eerste persoon enkelvoud verleden tijd (pretérito indefinido) van ver


Zweeds

Uitspraak

Persoonlijk voornaamwoord

vi

  1. (tweeletterwoord) wij