haben

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
haben
/ˈhaːbən/
hatte
/ˈhatə/
gehabt
/gəˈhaːpt/
volledig

Werkwoord

haben

  1. hebben
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen