kam
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kam
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kam | kammen |
| verkleinwoord | kammetje | kammetjes |
Zelfstandig naamwoord
kam m
- getand object om haren mee te verzorgen
- lichaamsdeel van een vogel, reptiel of ander dier, bijv. hanenkam
- deel van een muziekinstrument waarover de snaren strak gespannen worden
- rij getande objecten, bijv. bergkam
Vertalingen
1. getand object om haren mee te verzorgen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| kammen |
kam
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kammen
- Ik kam.
- gebiedende wijs van kammen
- Kam!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kammen
- Kam je?
Duits
Werkwoord
kam ; eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd van kommen.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.