daar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • daar
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: daer
Oudnederlands: thar
Germaans: *þar
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: there (Angelsaksisch: þær), Duits: da, (Oudhoogduits: dar, da), Fries: der (Oudfries: thēr)
Noord: Zweeds: där, Deens/Noors: der, (Oudnoors: þar), IJslands: þar, Faeröers: har
Oost: Gotisch: þar

Voegwoord

daar

  1. geeft onderschikkend een reden aan
    Daar hij ziek was, kon hij de vergadering niet voorzitten.
    Hij kon de vergadering niet voorzitten daar hij ziek was.
Synoniemen
Verwante begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Bijwoord

daar

  1. op een bepaalde plek, op die plek
    daar woont hij.
  2. als locatief deel van een voornaamwoordelijk bijwoord vervangt het een aanwijzend voornaamwoord (ver af) dat, die
    daarboven : daar kun je de bergen boven zien.
  3. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: daar achterblijvend
    daarlaten: Dat argument liet men daar.
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Afrikaans

Bijwoord

daar

  1. daar