vogel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: vogel (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈvoχɔɫ/, /ˈvoʊ̯χɔɫ/
- (Vlaanderen, Brabant): /ˈvoːɣəl/
- (Limburg): /ˈvoːɣəl/
Woordafbreking
- vo·gel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vogel | vogels |
| verkleinwoord | vogeltje | vogeltjes |
Zelfstandig naamwoord
vogel m
- (dierkunde) een gewerveld dier Aves
met twee vleugels, twee poten, een snavel en een met veren bedekt lichaam dat zich voortplant door het leggen van eieren
- Er zaten twee vogels op het dak van de schuur.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
- Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht.[1]
- Men moet datgene wat men heeft niet op het spel zetten voor een kleine kans om nog meer te krijgen.
- Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is.
- Ieder laat zich uit op een wijze die door zijn eigen aard en opvattingen bepaald worden.
- In mei leggen alle vogel(tje)s een ei.
- In het voorjaar komen veel vogelsoorten ertoe, gedreven door hun instinct, eieren te gaan leggen.
- Een vliegende vogel vangt altijd wat.
- Als je er maar op uit gaat, vind je altijd wel wat in je voordeel.
Vertalingen
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en een met veren bedekt lichaam dat zich voortplant door het leggen van eieren
|
|
Verwijzingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| vogelen |
vogel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vogelen
- Ik vogel.
- gebiedende wijs van vogelen
- Vogel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vogelen
- Vogel je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.