vogel

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vo·gel
enkelvoud meervoud
naamwoord vogel vogels
verkleinwoord vogeltje vogeltjes

Zelfstandig naamwoord

vogel m

  1. (dierkunde) een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en een met veren bedekt lichaam dat zich voortplant door het leggen van eieren.
    Er zaten twee vogels op het dak van de schuur.
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • Beter één vogel in de hand dan tien in de lucht.[1]
    • Men moet datgene wat men heeft niet op het spel zetten voor een kleine kans om nog meer te krijgen.
  • Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is.
    • Ieder laat zich uit op een wijze die door zijn eigen aard en opvattingen bepaald worden.
  • In mei leggen alle vogel(tje)s een ei.
    • In het voorjaar komen veel vogelsoorten ertoe, gedreven door hun instinct, eieren te gaan leggen.
  • Een vliegende vogel vangt altijd wat.
    • Als je er maar op uit gaat, vind je altijd wel wat in je voordeel.
Referenties
  1. Lijst van Nederlandse spreekwoorden op Wikipedia
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen