have

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·ve·ne
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord hagi.

Zelfstandig naamwoord

have m

  1. (tuinieren) tuin (bijv. een groentetuin, moestuin)
  2. (tuinieren) tuin (bijv. een siertuin)
  3. (tuinieren) volkstuin
  4. tuin, landschapstuin (bijv. een Engelse tuin)
  5. park
  6. ruimte met grote ramen (of dakramen) waar het mogelijk is (tropische) planten te laten groeien het hele jaar door (wintertuin)
  7. (religie), (figuurlijk) Tuin van Eden (paradijs)
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Typische woordcombinaties
  • [1-2]: botanisk have
een botanische tuin, hortus botanicus
  • [2]: den engelske have
de Engelse tuin
  • [2]: den japanske have
de Japanse tuin
  • [5]: zoologisk have
dierentuin, dierenpark, zoo

Zelfstandig naamwoord

have, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van hav


Engels

Naar frequentie 8
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelengels: haven
Angelsaksisch: habban, hafian
Germaans: *habjaną (opheffen, opnemen)
Indo-Europees: *keh₂p- (nemen, grijpen)
  • Verwant in Germaans:
West: Nederlands: hebben (Oudnederlands: hebban), Duits: haben, (Oudhoogduits: habēn), Jiddisch: האָבן (hobn), Fries: hawwe (Oudfries: hebba, habba, hava)
Noord: Zweeds: hava, Deens/Noors: have (Oudnoors: hafa), IJslands: hafa, Faeröers: hava
Oost: Gotisch: haban
vervoeging
onbepaalde wijs to have
he/she/it has
verleden tijd had
voltooid
deelwoord
had
onvoltooid
deelwoord
having
gebiedende wijs have

Werkwoord

have

  1. (overgankelijk) hebben
  2. (hulpwerkwoord) hebben
  3. (hulpwerkwoord) (to + infinitief) moeten
    «I have to go.»
    Ik moet gaan.
  4. (overgankelijk) baren


Noors

Zelfstandig naamwoord

have m

  1. (tuinieren) tuin m