poule
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pou·le
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | poule | poules |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
- (sport) een groep van sporters of teams die het tegen elkaar opnemen in een competitie of toernooi
- De loting voor de poules was in december.
- Ik verloor de WK-pool bij ons op het werk omdat Nederland de moeilijke poule niet overleefde.
Vertalingen
1. een groep van sporters of teams die het tegen elkaar opnemen in een competitie of toernooi
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Frans
Uitspraak
- IPA: /pul/
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| poule | la poule | poules | les poules |
Zelfstandig naamwoord
poule v
- kip
- Cette poule pond tous les jours. – Die kip legt elke dag eieren.
- hen
- La poule et le coq ne veulent pas s'accoupler. – De hen en de haan willen niet paren.
- wijfje van enkele andere vogels
- une poule d'Inde – een kalkoense hen
- une poule d'eau – een waterhoentje
- une poule faisane – een wijfjesfazant
- (informeel) griet, mokkel
- Il séduit cette poule facilement. – Hij verleidt die griet gemakkelijk.
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- aller se coucher avec les poules
- met de kippen op stok gaan (vroeg gaan slapen)
- avoir la chair de poule
- kippenvel hebben
- poule mouillé
- bangerik, schijterd
- quand les poules auront des dents
- wanneer Pasen en Pinksteren op één dag vallen (nooit)
- tuer la poule aux œufs d'or
- de kip met de gouden eieren slachten (voor kortetermijnwinst gaan)