wee

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wee
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wee weeën
verkleinwoord weetje weetjes

Zelfstandig naamwoord

wee v/m, o

  1. (medisch) pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt.
    • De weeën zijn al begonnen. 
  2. jammerklacht, smart, verdriet
    • Dat ging met veel ach en wee gepaard. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen wee weeër weest
verbogen weeë weeëre weeste
partitief wees weeërs -

Bijvoeglijk naamwoord

wee

  1. onaangenaam misselijk makend.
    • Er ging een weeë geur in het gebouw. 
Afgeleide begrippen

Tussenwerpsel

wee!

  1. kondigt rampspoed aan.
    • Wee je gebeente als je dat durft! 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl