barenswee

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·rens·wee
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord barenswee barensweeën
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

barenswee [1]

  1. pijnen tijdens de bevalling
    • Het oratorium heet Maria, met in het programmaboekje de teksten. Psalmen, delen van een Vespers, hymnen van Romanos de Melode. Ze hebben allen betrekking op de Moeder van God – in de eerste helft draait het om de Annunciatie, in de tweede helft om de kruisdood van haar Zoon. Je zou kunnen zeggen dat Tsoupaki twee keer naar een bevalling toewerkt – eerst de geboorte van Jezus, daarna Zijn zelfgezochte dood, die voor Maria opnieuw een barenswee inhoudt.[2] 
  2. (figuurlijk) problemen bij het opstarten van iets nieuws
    • Tegelijkertijd zijn in de geschiedenis van Jeruzalem lange perioden geweest van pacificatie en compromissen. Blijkbaar was het in bepaalde tijdvakken wél mogelijk om tot vreedzame coëxistentie te komen. Sommigen zien de huidige geweldsexplosie als een langgerekte, pijnlijke barenswee van een nieuw tijdperk. Hieronder worden enkele denkrichtingen verkend die mogelijk perspectief bieden voor een uitweg uit de spiraal van geweld. Het zijn bouwstenen, voor een deel geïnspireerd door het verleden, voor een deel aansluitend bij moderne ontwikkelingen, welke nadere doordenking en uitwerking verdienen.[3]  
Synoniemen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders
76 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Willem Jan Otten Essayist. Sinds 1999 Katholiek 2 april 2012
  3. NRC Guido Enthoven 28 november 2000