oefenwee

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oe·fen·wee
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oefenwee oefenweeën
verkleinwoord oefenweetje oefenweetjes

Zelfstandig naamwoord

oefenwee v/m

  1. (medisch) lichte buikkrampen die optreden in de laatste weken van de zwangerschap
     Een paar uur later, Lisanne was inmiddels thuis bij haar vader, begonnen de weeën. Vijf uur lang heeft ze die zelf opgevangen, ze dacht dat het oefenweeën waren. Bizar! Pas nadat de pijn heviger werd, belde ze het ziekenhuis. Wat bleek? Ze zat al middenin de bevalling![1]
     Ik schenk mezelf een glas water in en leg mijn hand op mijn dikke buik. Ik heb al de hele ochtend last van lichte krampen, die ik probeer te negeren. Het zullen oefenweeën zijn. Nog een paar weken en ik heb mijn meisje in mijn armen. Ik kan niet wachten…[2]

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron ELINE DOLDERSUM “Moeder Monique over haar zwangere dochter Lisanne: 'Ineens was ik oma'” (10 feb. 2016), De Telegraaf
  2. Bronlink Weblink bron “'Fleur is een doodenge vrouw, zonder vorm van gevoel'” (10 nov. 2018), De Telegraaf