droefheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • droef·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord droefheid droefheden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

droefheid v

  1. de mate van droef zijn
    • De droefheid was groot toen onze hond overleed. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.