Naar inhoud springen

wees

Uit WikiWoordenboek
  • wees
enkelvoud meervoud
naamwoord wees wezen
verkleinwoord weesje weesjes

deweesv/m

  1. (minderjarige) persoon wiens vader en/of moeder is gestorven
vervoeging van
zijn

wees

  1. gebiedende wijs van zijn
    • Wees lief voor elkaar! 
vervoeging van
wijzen

wees

  1. enkelvoud verleden tijd van wijzen
    • Ik wees. 
    • Jij wees. 
    • Hij, zij, het wees. 
     Ze wees naar het schilderij en in haar hand hield ze een penseel.[2]
     ‘Van Gooooo,’ klonk een tijdje later het trage zuidelijke Tennessee accent van Pogue, ‘Is er daar water?’ Ik knikte en wees naar beneden in de richting van de groene plas.[3]

wees

  1. partitief van de stellende trap van wee
    • Dat is iets wees... 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. "wees" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
wees
gewees
volledig

wees

  1. zijn, wezen