wees

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wees
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wees wezen
verkleinwoord weesje weesjes

Zelfstandig naamwoord

wees g

  1. (minderjarige) persoon wiens vader en/of moeder is gestorven
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zijn

wees

  1. gebiedende wijs van zijn
    Wees lief voor elkaar!

Werkwoord

vervoeging van
wijzen

wees

  1. enkelvoud verleden tijd van wijzen
    Ik wees.
    Jij wees.
    Hij, zij, het wees.

Bijvoeglijk naamwoord

wees

  1. partitief van de stellende trap van wee
    Dat is iets wees...

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
wees
gewees
volledig

Werkwoord

wees

  1. zijn, wezen