voeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
voeren voerend
voer gevoerd
voering
Uitspraak
Woordafbreking
  • voe·ren
Woordherkomst en -opbouw
  1. doen varen cf. Duits: führen
  2. voer = bont?, cf. Engels: fur
  3. >voe(de)ren cf. Duits: Futter
  4. >voe(de)ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voeren
voerde
gevoerd
zwak -d volledig

Werkwoord

voeren

  1. geleiden, ergens heen brengen
    De gijzelaar werd geblinddoekt naar het schavot gevoerd.
  2. kleding aan de binnenkant van een isolerende laag voorzien
    Deze jas is met bont gevoerd.
  3. (veeteelt) dieren te eten geven
    Voer dat maar aan de varkens!
  4. een kind eten in de mond stoppen
    Het duurt uren om Jantje te voeren.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
varen

voeren

  1. meervoud verleden tijd van varen
    Wij voeren.
    Jullie voeren.
    Zij voeren.