voeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
voeren voerend
voer gevoerd
voering
Uitspraak
Woordafbreking
  • voe·ren
Woordherkomst en -opbouw
  1. doen varen cf. Duits: führen
  2. voer = bont?, cf. Engels: fur
  3. >voe(de)ren cf. Duits: Futter
  4. >voe(de)ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voeren
voerde
gevoerd
zwak -d volledig

Werkwoord

voeren

  1. geleiden, ergens heen brengen
    • De gijzelaar werd geblinddoekt naar het schavot gevoerd. 
  2. kleding aan de binnenkant van een isolerende laag voorzien
    • Deze jas is met bont gevoerd. 
  3. (veeteelt) dieren te eten geven
    • Voer dat maar aan de varkens! 
  4. een kind eten in de mond stoppen
    • Het duurt uren om Jantje te voeren. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
varen

voeren

  1. meervoud verleden tijd van varen
    • Wij voeren. 
    • Jullie voeren. 
    • Zij voeren. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie