afvoeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·voe·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afvoeren
voerde af
afgevoerd
zwak -d volledig

Werkwoord

afvoeren

  1. overgankelijk verwijderend wegleiden
    • De gevangenen werden afgevoerd naar het kamp. 
    • De uitlaatgassen worden afgevoerd in een pijp die boven het dak uitsteekt. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
afvaren

afvoeren

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van afvaren
    • ...dat wij afvoeren. 
    • ...dat jullie afvoeren. 
    • ...dat zij afvoeren. 

Zelfstandig naamwoord

afvoeren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord afvoer

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen