afvoeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·voe·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afvoeren
voerde af
afgevoerd
zwak -d volledig

Werkwoord

afvoeren

  1. (overgankelijk) verwijderend wegleiden
    De gevangenen werden afgevoerd naar het kamp.
    De uitlaatgassen worden afgevoerd in een pijp die boven het dak uitsteekt.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
afvaren

afvoeren

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van afvaren
    ...dat wij afvoeren.
    ...dat jullie afvoeren.
    ...dat zij afvoeren.

Zelfstandig naamwoord

afvoeren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord afvoer
Verwijzingen