Naar inhoud springen

ontvoeren

Uit WikiWoordenboek
  • ont·voe·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontvoeren
ontvoerde
ontvoerd
zwak -d volledig

ontvoeren

  1. overgankelijk (misdaad) wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
vervoeging van
ontvaren

ontvoeren

  1. meervoud verleden tijd van ontvaren
    • Wij ontvoeren. 
    • Jullie ontvoeren. 
    • Zij ontvoeren. 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[2]