ontvoeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·voe·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontvoeren
ontvoerde
ontvoerd
zwak -d volledig

Werkwoord

ontvoeren

  1. (overgankelijk) wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
    Hij werd ontvoerd door een groep krijgszuchtige bandieten.
Synoniemen
Vertalingen