bewindvoerder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wind·voer·der
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van bewind en de stam van voeren met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord bewindvoerder bewindvoerders
verkleinwoord bewindvoerdertje bewindvoerdertjes

Zelfstandig naamwoord

bewindvoerder m

  1. iemand die deelneemt aan de regering
    • De bewindvoerder van binnenlandse zaken gaf commentaar op de problemen bij de gemeente. 
  2. iemand die de tijdelijk aan het hoofd van een bedrijf staat na het faillissement
    • Na de ondergang van de meubelzaak probeerde de bewindvoerder nog te zorgen voor een doorstart. 

Meer informatie

Gangbaarheid