vlieg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Thricops semicinereus
Uitspraak
Woordafbreking
  • vlieg
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘insect’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord vlieg vliegen
verkleinwoord vliegje vliegjes

Zelfstandig naamwoord

vlieg v/m

  1. (insecten) Brachycera op Wikispecies tweevleugelig insect
     In het ergste geval draagt de vlieg schadelijke bacteriën mee, en krijgen die bacteriën voldoende tijd om verder te groeien op je eten.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Er [niet] zijn om vliegen te vangen.
Ergens [niet] aanwezig zijn voor iets onbetekenends
  • Men vangt meer vliegen met honing dan met azijn.
Men bereikt het meest door zich vriendelijk naar anderen op te stellen
  • Twee vliegen in één klap [slaan]
Twee (of evt. meer) zaken met één enkele handeling bereiken of oplossen
  • [Nog] geen vlieg kwaad doen
Heel aardig, goed en vriendelijk zijn; niets kwaads in de zin hebben
  • Iemand vliegen afvangen
Iemand anders geen kans geven om met een eigen idee, oplossing e.d. te komen door zelf al iets vergelijkbaars te zeggen of te doen, iemand voor zijn
  • Sterven als vliegen
Massaal sterven
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
vliegen

vlieg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vliegen
    • Ik vlieg. 
  2. gebiedende wijs van vliegen
    • Vlieg! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vliegen
    • Vlieg je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen