luchtvaartuig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lucht·vaar·tuig
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord luchtvaartuig luchtvaartuigen
verkleinwoord luchtvaartuigje luchtvaartuigjes

Zelfstandig naamwoord

luchtvaartuig o

  1. een voertuig in staat om te vliegen.
    • Het luchtvaartuig werd als onbemand vliegtuig bestuurd. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie