taks

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • taks
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘hondensoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1838 [1]
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vastgestelde hoeveelheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1389 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord taks taksen
verkleinwoord taksje taksjes

Zelfstandig naamwoord

taks m

  1. (zoogdieren) m dashond [2]

taks v / m [3]

  1. bepaalde hoeveelheid
  2. belasting, heffing
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen