schapendoes

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

schapendoes
Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·pen·does
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schapendoes schapendoezen
verkleinwoord schapendoesje schapendoesjes

Zelfstandig naamwoord

schapendoes m

  1. (zoogdieren) Nederlandse, langharige herdershond
    • Linde Teunissen is er nog ontdaan van. Het Hengelose meisje (16) loopt maandagavond met haar kleine schapendoes Woezel in het park Slangenbeek, tussen de Kopenhagenstraat en de Parijsstraat. Ze laat Woezel los: de hond wordt wat minder lang uitgelaten omdat Lindes moeder een zweepslag heeft. Van achter het riet duiken ineens twee toezichthouders op. [1] 
    • Welke buschauffeur heeft ervoor gezorgd dat onze hond weer veilig bij ons is? Dat willen Arnold van Walsum en Mieke Wirken uit Breda graag weten, nadat er vorige week woensdag paniek uitbrak omdat hun hond Zenna - een kruising tussen een schapendoes, bearded collie en Friese stabij - in geen velden of wegen te bekennen was. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
27 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen