heffing
Uiterlijk
- hef·fing
- Naamwoord van handeling van heffen met het achtervoegsel -ing[1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | heffing | heffingen |
| verkleinwoord | heffinkje | heffinkjes |
de heffing v
- het vorderen, het heffen meestal van belastingen of accijnzen
- ▸ De oppositie denkt aan een heffing voor bedrijven die juist goed boeren door de oorlog in Oekraïne en de stijgende prijzen.[2]
- China is essentieel voor de hoge winsten van Apple, maar Donald Trump is de kip met gouden eieren aan het slachten. Trumps hoge heffingen op import uit China hebben desastreuze gevolgen voor Apple. Het meest winstgevende bedrijf van Amerika betaalt nu de prijs voor ‘Made in China’.[3]
- ▸ De oppositie denkt aan een heffing voor bedrijven die juist goed boeren door de oorlog in Oekraïne en de stijgende prijzen.[2]
- het gevorderd bedrag
- (letterkunde) lettergreep die een versaccent draagt
- Het woord heffing staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "heffing" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Weblink bron “Rutte wil kijken naar toeslag van 500 euro voor lage en middeninkomens” (15 juni 2022), NOS - ↑ www.nrc.nl (11 apr 2025)
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be