teckel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tec·kel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘hondensoort’ voor het eerst aangetroffen in 1940 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord teckel teckels
verkleinwoord teckeltje teckeltjes

Zelfstandig naamwoord

teckel m

  1. (dierkunde) dashond
Hyponiemen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders
78 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen