dashond

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • das·hond
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘hondensoort’ voor het eerst aangetroffen in 1810 [1]
  • samenstelling van  das  en  hond  [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord dashond dashonden
verkleinwoord dashondje dashondjes

Zelfstandig naamwoord

dashond m

  1. (dierkunde) een hondensoort, klein, met lang lijf en korte poten, die speciaal gefokt wordt voor de jacht op dassen
    • Hij heeft thuis een dashond. 
Vertalingen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen