strafkorting

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • straf·kor·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord strafkorting strafkortingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

strafkorting v

  1. een vermindering op een uitkering als straf voor gepleegde fraude of niet naleven van verplichtingen
    • Er was een schatting gemaakt van de verdiensten die hij uit de hennepplantage zou hebben gehad, 'een belachelijk hoog bedrag' dat hij geacht werd gedurende de rest van zijn leven stapsgewijs af te lossen aan de Sociale Dienst. `Ze' hadden hem een strafkorting op zijn uitkering in de maag gesplitst plus een niet malse boete. [1] 
  2. korting op een bijdrage als doelstellingen niet gehaald worden
    • 'Strafkorting hogescholen werkt averechts: Het kabinet moet stoppen met het financieel korten van hogescholen als die hun doelen niet halen, bijvoorbeeld over de hoeveelheid instromende studenten of het aantal docenten met een masterdiploma. Zo’n straf werkt averechts.[2] 
  3. verkorting van een celstraf bij goed gedrag
    • De strafkorting die de voorbije maanden werd toegepast, krijgt geen verlenging: van een gevangenisstraf tussen een en drie jaar wordt vanaf 1 januari standaard een derde uitgevoerd. Van twee jaar celstraf moet acht maanden uitgezeten worden, vier maanden meer dan nu. Een vonnis van drie jaar zal leiden tot een jaar achter tralies of met enkelband. Ook vier maanden meer dan nu.[3] 

Verwijzingen

  1. Valens, Anton Het boek ont [2012] ISBN 978-90-457-0473-9 pagina 250
  2. Tubantia Hanneke Keultjes 19-01-17
  3. de Standaard 25 NOVEMBER 2016