sterk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sterk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘krachtig’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: starc
Oudnederlands: stark
Germaans: *starkaz, *starkuz
Indo-Europees: *(s)terg-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: stark (Angelsaksisch: stearc, starc), Duits: stark, (Oudhoogduits: stark), Fries: sterc (Oudfries: sterk)
Noord: Zweeds: stark, Deens: stærk, Noors: sterk, (Oudnoords: sterkr), IJslands/Faeröers: sterkur
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen sterk sterker sterkst
verbogen sterke sterkere sterkste
partitief sterks sterkers -

Bijvoeglijk naamwoord

sterk

  1. beschikkend over kracht of vaardigheid
    • Het was een sterke kerel die de biels optilde. 
     Veel sterker dan op de Autoroute ervaar je hoe het landschap langzaam van kleur verschiet, van het sappige groen van de Bourgogne naar het azuurblauw van de Méditerranée, via het droge geel van de Provence.[2]
  2. een grote concentratie van iets bevattend
    • Een sterke oplossing. 
    • Van een sterke drank wordt je snel dronken. 
  3. zo opvallend dat het aan het ongelooflijke grenst
    • Dat is een sterk verhaal. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Bijwoord

sterk

  1. in sterke mate
    • Dat is sterk overdreven! 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
sterken

sterk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sterken
    • Ik sterk. 
  2. gebiedende wijs van sterken
    • Sterk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sterken
    • Sterk je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen