sterk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sterk
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: starc
Oudnederlands: stark
Germaans: *starkaz, *starkuz
Indo-Europees: *(s)terg-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: stark (Angelsaksisch: stearc, starc), Duits: stark, (Oudhoogduits: stark), Fries: sterc (Oudfries: sterk)
Noord: Zweeds: stark, Deens: stærk, Noors: sterk, (Oudnoords: sterkr), IJslands/Faeröers: sterkur
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen sterk sterker sterkst
verbogen sterke sterkere sterkste
partitief sterks sterkers -

Bijvoeglijk naamwoord

sterk

  1. beschikkend over kracht of vaardigheid
    • Het was een sterke kerel die de biels optilde. 
  2. een grote concentratie van iets bevattend
    • Een sterke oplossing. 
    • Van een sterke drank wordt je snel dronken. 
  3. zo opvallend dat het aan het ongelooflijke grenst
    • Dat is een sterk verhaal. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Bijwoord

sterk

  1. in sterke mate
    • Dat is sterk overdreven! 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
sterken

sterk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sterken
    • Ik sterk. 
  2. gebiedende wijs van sterken
    • Sterk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sterken
    • Sterk je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie