streng

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • streng
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord streng strengen
verkleinwoord strengetje strengetjes

Zelfstandig naamwoord

streng v / m

  1. bundel van gewonden draden
  2. draad met geregen steentjes, kralen e.d
  3. (medisch) orgaan of deel van een orgaan dat op een bundel draden lijkt
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen streng strenger strengst
verbogen strenge strengere strengste
partitief strengs strengers -

Bijvoeglijk naamwoord

streng

  1. zonder ruimte voor tegenspraak
    • Zijn strenge houding zorgde eindelijk voor een gedragsverandering bij de kwajongen. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
strengen

streng

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strengen
    • Ik streng. 
  2. gebiedende wijs van strengen
    • Streng! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strengen
    • Streng je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie