straffe

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • straf·fe

Werkwoord

vervoeging van
straffen

straffe

  1. aanvoegende wijs van straffen
    • Men straffe steeds in kalmte, met een koel hoofd en een warm hart. 

Zelfstandig naamwoord

straffe

  1. bijvorm van straf in: op straffe van — met de bijbehorende straf van
    • Dit is op straffe van een boete van ten hoogste duizend gulden verboden. 

Bijvoeglijk naamwoord

straffe

  1. verbogen vorm van de stellende trap van straf
    • Een straffe oostenwind bolt de zeilen. 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be