straffen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • straf·fen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
straffen
strafte
gestraft
zwak -t volledig

Werkwoord

straffen

  1. (overgankelijk) negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
    De leraar strafte hem omdat hij te laat kwam, hij moest een nablijfbriefje halen bij de conciërge.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

straffen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord straf