straffen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • straf·fen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
straffen
strafte
gestraft
zwak -t volledig

Werkwoord

straffen

  1. (overgankelijk) negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
    De leraar strafte hem omdat hij te laat kwam, hij moest een nablijfbriefje halen bij de conciërge.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

straffen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord straf
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Zweeds

Uitspraak
Naar frequentie 32723

Zelfstandig naamwoord

straffen

  1. nominatief bepaald onzijdig meervoud van straff