springen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sprin·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
springen
sprong
gesprongen
klasse 3 volledig

Werkwoord

springen

  1. (ergatief) na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken in een bepaalde richting
    Hij sprong over de greppel.
  2. (inergatief) na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
    Er werd gesprongen en gerend.
  3. (ergatief) traanvocht veroorzaken
    De tranen sprongen hem in de ogen.
  4. (ergatief) plotseling breken of uit elkaar barsten
    Door aanraking met de vlam sprong het glas in duizend stukken.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • in de gaten springen
Vertalingen


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • sprin·gen
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
springen
/ˈʃpʀɪŋən/
sprang
/ˈʃpʀaŋ/
gesprungen
/gəˈʃpʀʊŋən/
Klasse 3 volledig

Werkwoord

springen

  1. springen