springerig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sprin·ge·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen springerig springeriger springerigst
verbogen springerige springerigere springerigste
partitief springerigs springerigers -

Bijvoeglijk naamwoord

springerig

  1. geneigd om te springen, onrustig, niet stil kunnen blijven zitten
    • Het springerige jongetje kon moeilijk in de klas stil blijven zitten. 
    • Het springerige veulen struikelde vaak. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.