inspringen

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·sprin·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inspringen
sprong in
ingesprongen
klasse 3 volledig

Werkwoord

inspringen

  1. ergatief met een sprong zich in iets begeven
    • Hij is het water ingesprongen. 
  2. (typografie) een wat grotere kantlijn onbeschreven laten
  3. (bouwkunde) stapgewijs terugwijken, een strook onbebouwd laten
  4. ergatief een opengevallen plaats innemen om hulp te bieden
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be