sauter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sauter
/sote/
sautais
/sotɛ/
sauté
/sote/
eerste groep volledig

Werkwoord

sauter

  1. springen, opspringen
  2. (spreektaal) bespringen, naaien, nemen
    «Gérard l'a sautée hier soir.»
    Gérard heeft haar gisteravond gepakt. [1]
  3. (spreektaal) opschieten
    «Et que ça saute
    Opschieten! Tempo! [1]

Verwijzingen