sporten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spor·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van sport met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sporten
sportte
gesport
zwak -t volledig

Werkwoord

sporten

  1. inergatief aan sport doen
    • Wie wil afvallen, moet sporten. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

sporten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord sport

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

sporten

  1. bepaalde vorm enkelvoud van sport