Naar inhoud springen

sporten

Uit WikiWoordenboek
  • spor·ten
  • afgeleid van sport met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sporten
sportte
gesport
zwak -t volledig

sporten

  1. inergatief aan sport doen
    • Wie wil afvallen, moet sporten. 
     Ter voorbereiding op het sporten smeerden Griekse atleten zichzelf (en elkaar) zorgvuldig in met olijfolie, waarover zij vervolgens een fijn zand sprenkelden.[1]
     Na het sporten werden zand en olie, nu vermengd met zweet, afgeschraapt met een schraapijzer strigilis, waarna de atleet weer klaar was om zijn rol als (geklede) burger op zich te nemen.[1]

desportenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord sport
     De herinnering aan deze middeleeuwse tak van sport leeft nog lang voort, onder andere in andere sporten.[1]
     Zeker in het Engelse taalgebied wordt zij als een van de originele sporten beschouwd.[1]


100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2 3 4
    Onno van Nijf
    “Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025312275
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

sporten

  1. bepaalde vorm enkelvoud van sport