sporten
Uiterlijk
- spor·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| sporten |
sportte |
gesport |
| zwak -t | volledig | |
sporten
- inergatief aan sport doen
- Wie wil afvallen, moet sporten.
- ▸ Ter voorbereiding op het sporten smeerden Griekse atleten zichzelf (en elkaar) zorgvuldig in met olijfolie, waarover zij vervolgens een fijn zand sprenkelden.[1]
- ▸ Na het sporten werden zand en olie, nu vermengd met zweet, afgeschraapt met een schraapijzer strigilis, waarna de atleet weer klaar was om zijn rol als (geklede) burger op zich te nemen.[1]
1. aan sport doen
de sporten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord sport
- Het woord sporten staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "sporten" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- 1 2 3 4 Onno van Nijf“Sportgeschiedenis” (2021), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025312275 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
sporten
- bepaalde vorm enkelvoud van sport
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -en in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-t) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Inergatief werkwoord in het Nederlands
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %
- Woorden in het Zweeds
- Woorden in het Zweeds van lengte 7