sportbond

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sport·bond
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sportbond sportbonden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sportbond m [1]

  1. een bond waar verschillende sportclubs lid van zijn (en dus niet de individuele sporters)
    • Boegbeeld Kramer bevestigt de waardering op de ijsvloer voor Dijkema. „Als voorzitter heeft hij meer grip op zaken dan in het verleden. Ik denk dat het goed is voor het schaatsen.” Als een van de laatste sportbonden stelt de ISU [International Skating Union] een atletencommissie in, waarvoor Margot Boer namens Nederland kandidaat is. Kijk hoe de ISU reageert als Ireen Wüst stelt dat het vrouwentoernooi in een te korte tijdspanne van twintig uur moest worden voltooid. „Ik praat niet met sporters”, reageerde Cinquanta in 2013 op kritiek van Wüst. „Natuurlijk luisteren wij naar sporters”, zegt Dijkema. „Wüst heeft ook wel een punt”, vult Gemser aan. [2] 
Hyponiemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Maarten Scholten 8 januari 2017