roken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[2] Roken.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ro·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘de rook van tabak genieten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1668 [1]
  • In de betekenis van ‘rook afgeven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
roken
rookte
gerookt
zwak -t volledig

Werkwoord

roken

  1. rook afgeven
    • Die schoorsteen rookt geweldig. 
  2. een genotsmiddel, voornamelijk tabak, nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
    • Hij kan het roken niet voor een dagje laten. 
    • In verschillende landen is het bij wet verboden te roken in openbare gebouwen. 
     De gesprekken met deze dames waren diepgaander, maar voor de rest vloekten ze evenveel als de gemiddelde man, lieten ze evenveel scheten, rookten ze evenveel wiet en liepen ze even hard.[2]
  3. (m.b.t. rauwe vis of rauw vlees) conserveren door langdurige blootstelling aan rook.
    • Hij at paling die lang had liggen roken. 
Anagrammen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ruiken

roken

  1. meervoud verleden tijd van ruiken
    • Wij roken. 
    • Jullie roken. 
    • Zij roken. 

Werkwoord

vervoeging van
rieken

roken

  1. meervoud verleden tijd van rieken
    • Wij roken. 
    • Jullie roken. 
    • Zij roken. 

Zelfstandig naamwoord

roken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rook

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen