gerook

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·rook
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gerook
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gerook o [1]

  1. het aanhoudend roken
    • De 74-jarige man werd na 40 jaar de wacht aangezegd omdat buren last hadden van zijn gerook. De verhuurder had de man meerdere malen tevergeefs gevraagd minder te paffen vanwege de overlast. De huurder stapte naar de rechter maar die concludeerde dat het opzeggen terecht was vanwege 'de veranderde beoordeling van de gevaren van meeroken'. [2] 
    • Op Twitter ging het flink los na de uitzending over de zwangere Ashley (18) die haar baby frietjes en frikandellen wilde voorschotelen. 'Wat een tokkies', reageert iemand. 'Als je denkt dat het niet erger kan', schrijft iemand anders. Het ging over de vele honden en over het gerook van de aanstaande moeder en Ashley's zus en moeder. [3] 


Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.


Verwijzingen