beroken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
beroken berokend
beroking berookt
beroker


Woordafbreking
  • be·ro·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van roken met het voorvoegsel be-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beroken
berookte
berookt
zwak -t volledig

Werkwoord

beroken

  1. overgankelijk een oppervlak aan rook blootstellen
    • Het vuur in het belendende perceel had de muren op sommige plaatsen berookt. 
  2. overgankelijk (imkerij) gebruik maken van een beroker om bijen rustig te maken
    • De imker berookte de bijen even. 
  3. overgankelijk (techniek) een oppervlak een speciale behandeling geven met een gas, rook of damp
    • Traditioneel wordt een eiken parket berookt met ammoniakdampen, waardoor het hout, afhankelijk van de berokingsduur, een min of meer donkere kleur verkrijgt. 
Woordherkomst en -opbouw
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beruiken

beroken

  1. meervoud verleden tijd van beruiken
    • Wij beroken. 
    • Jullie beroken. 
    • Zij beroken. 
  2. voltooid deelwoord van beruiken

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.