rookbom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Een rookbom.
Uitspraak
Woordafbreking
  • rook·bom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rookbom rookbommen
verkleinwoord rookbommetje rookbommetjes

Zelfstandig naamwoord

rookbom v/m [1]

  1. een bom die vooral veel rook maakt
    • Daar zag hij als enig aanwezige fotograaf hoe de krakers burgemeester Polak het woord ontnamen, letterlijk werd de microfoon hem uit handen gerukt, en bij het verlaten van de zaal gooiden ze nog een rookbom. „Ik fotografeerde als fotojournalist ook voor de krant. Dus het ene moment gaf ik de burgemeester tijdens een interview een hand, en stond ik mooie foto’s te maken, en nu was ik er tijdens de bezetting, terwijl hij ziedend was.” De rookbom-foto haalde de krant. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Gretha Pama 14 december 2016