ook

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ook
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: ooc
Oudnederlands: ōk, ouk
Germaans: *auk
Indo-Europees: *aug-
  • Verwant in Germaans:
West: Angelsaksisch: ēac, Duits: auch, (Oudhoogduits: ouh), Fries: ek (Oudfries: āk)
Noord: Zweeds: och, Deens/Noors/IJslands/Faeröers: og, (Oudnoords: auk, ok)
Oost: Gotisch: auk
  • Verwant in Romaans:
Latijn: augere
Grieks: αυξάνω, αυξω

Bijwoord

ook

  1. daarnaast; verder; tevens
    Ook de brandweer was naar het ongeluk toegekomen.
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • ook al
  • ook maar
zelfs niet dat weinige
Hij verliet het land zonder ook maar een keer terug te komen. (Hij kwam dus nul keer terug)
Vertalingen


Yucateeks

Zelfstandig naamwoord

ook

  1. (anatomie) voet