mondvol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mond·vol
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mondvol
verkleinwoord mondvolletje mondvolletjes

Zelfstandig naamwoord

mondvol m [1]

  1. een hap of een slok die zo groot is dat ze de mond vult
  2. (figuurlijk) een woord dat moeilijk is uit te spreken door de lengte ervan
    • 'De essentie van ons verhaal is dat we met Kriket een tussendoortje proberen maken dat een antwoord formuleert op enkele grote uitdagingen waar we als fans van lekker eten én wakkere burgers voor staan: de obesitasepidemie en de opwarming van de aarde zijn er daar twee van.' Een mondvol voor een reep die de kleine honger moet stillen. Nu alleen nog via crowdfunding genoeg geld zien op te halen zodat een eerste lading in productie kan gaan. [2] 
    • Onderwaterbabyfotografie? Als woord is het al een mondvol, in de gedachten van ouders nog veel meer. Aan zwembadwater dat de kleintjes binnenkrijgen. Een onderwaterfotosessie bij 't Spilbroek bewees zondagmorgen dat juist de allerkleinsten geboren watermensjes zijn. Zie ook filmpje! [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 06/06/2017 door flb
  3. Tubantia 03-10-2010