muil

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • muil
Woordherkomst en -opbouw
  • [1][2][5] In de betekenis van “mond”, voor het eerst aangetroffen in 1550, als toenaam in de Oudnederlandse naam Willelmus Mule “Willem de bek” (1183).
Middelnederlands: muul, mule
Oudnederlands: mūl bek
Germaans: *mūlan- m muil
Indo-Europees: -
  • Verwant in Germaans:
West: Duits: Maul, (Oudhoogduits: mūla v) muil, Fries: mûle (Oudfries: mūla)
Noord: Zweeds: mule snuit, snoet (Oudnoords: múli “‘bovenlip van een dier, bek, uitstekende rots”), Faeröers: múli
Oost: Gotisch: faurmūljan muilbanden
  • [3] Leenwoord uit Latijn mulleus “rode schoen”, mogelijk via Frans mule “damespantoffel die de hiel onbedekt laat”, aangetroffen sinds 1556. [2]
  • [4] Leenwoord uit Latijn mulus muildier, voor het eerst aangetroffen in 1240. [3] [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord muil muilen
verkleinwoord muiltje muiltjes

Zelfstandig naamwoord

muil

  1. m de bek van een groot dier
    • De leeuw hield zijn prooi in zijn muil. 
  2. m (pejoratief), de mond van een persoon
    • Hou je grote muil! 
  3. v/m (kleding) een type schoeisel dat eenvoudig aan te doen is
    • Alle staatslieden moesten muilen dragen.[5] 
  4. m (veeteelt) kruising tussen een paard en een ezel
  5. (figuurlijk) iets dat wijd open staat en alles opvreet
    • Voor het eerst kan de mensheid recht de gapende muil van één van de meest indrukwekkende monsters uit de kosmos inkijken: het zwarte gat in het centrum van sterrenstelsel Messier 87, een beest met de overweldigende massa van 6,5 miljard zonnen. [6] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[7]

Meer informatie

Verwijzingen