muil

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • muil
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘paardachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2] [3] [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord muil muilen
verkleinwoord muiltje muiltjes

Zelfstandig naamwoord

muil

  1. m de bek van een groot dier
    • De leeuw hield zijn prooi in zijn muil. 
  2. m (pejoratief), de mond van een persoon
    • Hou je grote muil! 
  3. v/m (kleding) een type schoeisel dat eenvoudig aan te doen is
    • Alle staatslieden moesten muilen dragen.[5] 
  4. m (veeteelt) kruising tussen een paard en een ezel
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen