mondwater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
mondwater

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mond·wa·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mondwater mondwaters
verkleinwoord mondwatertje mondwatertjes

Zelfstandig naamwoord

mondwater o

  1. reinigende vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld, vaak gebruikt om onprettig ruikende adem tegen te gaan
    • Men make ook gebruik van wat tandpoeder, tandpasta of mondwater en verzuime niet de borstel ook in verticale richting te gebruiken. [1]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen