burgemeester

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[1] burgemeester
[2] burgemeester van een molen
Uitspraak
Woordafbreking
  • bur·ge·mees·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord burgemeester burgemeesters
verkleinwoord burgemeestertje burgemeestertjes

Zelfstandig naamwoord

burgemeester m

  1. (beroep), (politiek) hoofd van het gemeentebestuur
    • De burgemeester sprak met de pers deze ochtend. 
     Ik neem aan dat het nu over raadsleden, burgemeesters en dat soort lui gaat. En hoger.[3]
  2. (techniek) het bord onder de spil van een molen
     Bovendien bleek de burgemeester aangetast door de bonte knaagkever en moest dus vernieuwd worden.[4]
  3. (vogels) de naam van een tweetal meeuwensoorten:
    de grote burgemeester
    de kleine burgemeester
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Iemand die met de vijand samenwerkt om erger te voorkomen
  • Eens burgemeester, blijft burgemeester
Wie eenmaal een bepaald maatschappelijk aanzien (goed of slecht) heeft, raakt dat niet of heel moeilijk meer kwijt
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen