oefenmeester

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oe·fen·mees·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oefenmeester oefenmeesters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

oefenmeester m [1]

  1. iemand die zich op professionele basis bezighoudt met de prestaties van een persoon (een trainee) of dier
    • Binnen twee jaar krijgen de Belgische hockeyers een nieuwe kans om Europees kampioen te worden op het EK 2019 in eigen land in Wilrijk, dicht bij Antwerpen. "Dat verandert niets aan ons proces, de ploeg blijft stap voor stap progressie maken. Het is niet zo eenvoudig om de finale van een EK te bereiken. Zeker vijf jonge spelers die hier in Amsterdam aanwezig waren, zullen er ook binnen twee jaar bij zijn in Antwerpen. Nu moeten we enkel nog de laatste stap zetten: goud winnen", concludeerde de Nieuw-Zeelandse oefenmeester. [2] 
    • “In balbezit speelden we een matige wedstrijd, het tempo lag veel te laag”, vond de oefenmeester. “We kozen te vaak voor de veilige optie.” Heracles kwam via Kuwas op een 1-0 voorsprong, maar toen Excelsior langszij kwam zag Stegeman dat zijn ploeg even van slag was. “Na de 1-1 was het vertrouwen opeens weg. Dat vind ik echt heel raar, na twee goede resultaten tegen Ajax en Heerenveen. Maar uiteindelijk moeten we blij zijn met een punt.” [3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 27/08/2017 wic
  3. Tubantia 26-08-2017