zedenmeester

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·den·mees·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zedenmeester zedenmeesters
verkleinwoord zedenmeestertje zedenmeestertjes

Zelfstandig naamwoord

zedenmeester m

  1. iemand die regelmatig/voortdurend zegt wat wel en niet zou mogen op zedelijk gebied.
    • Het blad, [de Hollandsche Spectator] en daarmee dus zijn redacteur Justus van Effen, fungeerde als een gezaghebbende zedenmeester, die de principes van de Verlichting (redelijkheid, tolerantie, sociabiliteit) vertaalde naar de burgers toe. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.